Wat gebeurt er tijdens de bevalling?
Dan is het zover: de bevalling begint. Wat gaat er precies gebeuren? Een stukje theorie.
Een bevalling bestaat uit vier fases:
1. de ontsluitingsfase
2. de uitdrijvingsfase
3. de nageboortefase
4. de vierde fase
De ontsluitingsfase
In de eerste fase van de bevalling bereidt de baarmoederwond zich voor op de doorkomst van het kindje. De baarmoedermond wordt zacht en week (dit wordt ook wel ‘verstrijken’ genoemd) en gaat steeds verder open. Dit gebeurt allemaal onder invloed van weeën: krachtige samentrekkingen van de baarmoeder.
De eerste weeën
Aan het begin van de bevalling kunnen de weeën nog onregelmatig zijn. Misschien twijfel je wel of de bevalling echt begonnen is. Richt je dan nog niet teveel op de weeën. Probeer wat dingen te doen, zodat je een beetje afgeleid wordt. Als je merkt dat dat niet meer mogelijk is, kun je beginnen met ademhalingstechnieken en ontspanningsoefeningen. Dit is ook het moment om eens op de klok te gaan kijken of je ons al moet bellen (zie ook de belinstructies).
De weeën komen vaker
Aan de telefoon zullen we je vragen stellen over de duur en frequentie van de weeën. Daarvoor is het handig om de weeën te timen en op te schrijven. Zodra we bij je thuis zijn, controleren we de harttonen van de baby en krijg je nog wat tips voor het opvangen van de weeën. We kijken hoe het gaat met de weeën en het opvangen daarvan, en daarna controleren we of je al ontsluiting hebt. Dit gebeurt door een inwendig onderzoek (ook wel vaginaal toucheren genoemd). Heb je hier moeite mee? Geef dat dan aan tijdens het spreekuur, dan kunnen we er rekening mee houden. Na het inwendige onderzoek vertellen we je wanneer je opnieuw moet bellen. Meestal komen we een aantal keer bij je langs, voordat de baby er is.
De weeën worden krachtiger
Hoe lang de ontsluiting gaat duren, is van tevoren niet te zeggen. Dit verschilt per persoon en hangt onder meer af van de kracht en kwaliteit van de weeën, de mate waarin je je kunt ontspannen en of het je eerste of een volgend kind is. Ook is het belangrijk om tijdens de ontsluitingsfase regelmatig te gaan plassen. Een volle blaas kan het proces tegenwerken.
Naarmate de ontsluiting vordert, komen de weeën steeds vaker en worden ze steeds krachtiger. Dit is een goed teken: het betekent dat het einde van de ontsluiting nadert. Wij bellen dan de kraamverzorgster, zodat zij ons bij de bevalling kan assisteren. Na de bevalling verzorgt zij jou en je kindje.
De uitdrijvingsfase
Zodra de baarmoedermond helemaal open is, zo’n 10 centimeter, spreken we van volledige ontsluiting. Dan begint de uitdrijving. Dat merk je omdat je persdrang krijgt. Nu kun je beginnen met persen.
Persweeën
De pauzes tussen de persweeën zijn vaak wat langer, zodat jij en de baby even de tijd hebben om bij te komen. Na elke wee luisteren we naar de harttonen van de baby om de conditie goed in de gaten te houden.
Bij een eerste bevalling moet de weg door de vagina nog gebaand worden. Daarom duurt zo’n eerste bevalling meestal wat langer. Tijdens het persen gaat het hoofdje steeds een stukje verder. Maar het kan zich tijdens de weeënpauze ook weer iets terugtrekken. Gemiddeld duurt het persen bij een eerste bevalling ruim een uur. Bij een volgend kind kan het (veel) sneller gaan.
We zien het hoofdje
Als het hoofdje geboren gaat worden, zien we eerst een heel klein stukje. Dit noemen we het ‘insnijden’ van het hoofdje. Hoe verder de uitdrijving vordert, hoe meer we van het hoofdje te zien krijgen. Op een gegeven moment trekt het hoofdje zich niet meer terug; het hoofdje ‘staat’. Dit geeft een branderig gevoel. Probeer goed te blijven zuchten en te luisteren naar wat wij zeggen. Je kindje wordt dan waarschijnlijk de volgende wee geboren!
Soms lukt het niet om zelf de baby eruit te persen. Bijvoorbeeld omdat de weeën niet krachtig genoeg zijn of omdat de ligging van het kindje niet goed is. Dan zullen wij de bevalling overdragen aan de gynaecoloog. We begeleiden je naar het ziekenhuis en blijven bij je. Maar de eindverantwoordelijkheid ligt dan bij de gynaecoloog.
De nageboortefase
Als je kindje geboren is, zit het nog vast aan de navelstreng. We zetten dan een navelklemmetje en een metalen klem op de navelstreng, waarna de navelstreng veilig doorgeknipt kan worden – waarschijnlijk door je partner. Dit heet ‘afnavelen’. Dit is het moment dat jullie kindje op eigen kracht verder gaat!
Apgar-score
De eerste minuten na de bevalling bepalen we de Apgar-score: dit is een score die de conditie van jullie kind weergeeft. We checken de hartfrequentie, ademhaling, spierspanning, de reactie op prikkels en de kleur van de huid. Een kindje krijgt meestal 2 ‘cijfers’. In de meeste gevallen is de eerste score (na 1 minuut) een 9 en de tweede score (na 5 minuten) een 10. De maximale score is tien.
De nageboorte
Vervolgens moeten de placenta (de moederkoek) en vliezen nog geboren worden. De baarmoeder wordt na de geboorte van je kindje een stuk kleiner. Daardoor laat de placenta los van de baarmoederwand. Als je baarmoeder goed is samengetrokken, kunnen de placenta en de vliezen geboren worden. Soms gaat dit niet zo gemakkelijk en moeten we je een injectie geven om je baarmoeder extra te prikkelen. Na de geboorte controleren we of de placenta en vliezen compleet zijn. Ook de hoeveelheid bloedverlies houden we steeds goed in de gaten.
De vierde fase
In deze fase kijken we of er gehecht moet worden (altijd onder verdoving). Vaak is er dan ook al de gelegenheid om de baby aan de borst te leggen. Aanleggen binnen een uur na de geboorte vergroot de kans op een goede borstvoeding.
Dan kijken we de baby na: we wegen het kindje en kijken of er bijzonderheden zijn. Verder testen we een aantal reflexen, zoals de zuigreflex, de grijpreflex van de handen en de loopreflex. Als dat allemaal goed is, kleedt de kraamverzorgende je baby aan. Als alles klaar is en jij bent gewassen of gedoucht, kan de kraamperiode beginnen!


